Het belang van gedragsbeoordeling bij de Briard

Het belang van een zorgvuldige keuze van ouderdieren op basis van aanleg en gedrag dient minstens net zo vanzelfsprekend te zijn als een keuze op basis van uiterlijk en gezondheid.

Het is daarom logisch dat de Nederlandsche  Briard Club (NBC) in haar verenigingsfokreglement regels met betrekking tot gedrag heeft opgenomen. In deze regels is bepaald dat beide ouderdieren vóór de eerste dekking met goed gevolg een door de rasvereniging erkende gedragstest moeten hebben afgelegd. Een van deze erkende gedragstesten is de gedragstest, georganiseerd door de Nederlandsche Briard Club.

Gedrag conform rasstandaard

In de rasstandaard van de Briard wordt het gedrag van de Briard als volgt omschreven:

“De Berger de Brie heeft een evenwichtig karakter, niet agressief, noch angstig. De Briard moet wijs en onverschrokken zijn (sage et hardi).”
Nu wordt het even lastig, want hoe ziet wijs en onverschrokken gedrag eruit en wat is evenwichtig? Vraag het 50 mensen en je krijgt 50 verschillende antwoorden. De interpretatie van deze temen geeft namelijk veel ruimte tot discussie. Angst en agressie zijn goed omschreven en meetbare gedragselementen (objectief). Dit is af te meten aan lichaamshouding (staart, oren, gezichtsmimiek, vocalisatie, etc.) Maar de andere termen zijn subjectief en iedereen geeft hier zijn eigen interpretatie aan die vaak is gebaseerd op eigen ervaringen. Misschien helpt het door naar de volgende omschrijvingen in de standaard te kijken: “In wezen vriendelijk en vredelievend, is hij aanhankelijk, gehoorzaam en zeer werkwillig. Zijn verschijning verraadt oerkracht, zijn gedrag is zelfverzekerd, evenwichtig en onverschrokken. Hij reageert met hoge opmerkzaamheid maar gelijktijdig rustig op zijn omgeving.”

Als je alle gedragsomschrijvingen bijeenschraapt en opnieuw het plaatje probeert in te kleuren met objectieve helder omschreven gedragselementen kom je misschien tot de volgende omschrijving: “De Berger de Brie heeft een gelijkmatig karakter, is niet agressief, noch angstig. Hij is vriendelijk en heeft goed herstelvermogen, is hij aanhankelijk, gehoorzaam en zeer werkwillig. Hij reageert met hoge opmerkzaamheid maar gelijktijdig rustig op zijn omgeving.

Dit houdt in dat  de Briard een vriendelijke hond is die graag met zijn baas is. Hij mag best wel  schrikken, maar moet daarvan snel en volledig herstellen (al dan niet met behulp van de baas). Hij mag levendig zijn, maar niet nerveus. Dit ziet er bijna hetzelfde uit maar heeft significant andere elementen; stresssignalen komen bij een levendige hond nauwelijks voor. Ook agressief gedrag is niet wenselijk. Hierbij kun je onderscheid maken tussen dreiggedrag (blaffen, grommen, strak aankijken) en daadwerkelijk bijtgedrag om ook een lijn te trekken tussen “niet wenselijk” en “ongewenst”. Bij schrik kan er wel eens dreigend geblaft worden, maar dat moet in het herstel weer stoppen, in dit geval kan dreiggedrag genoteerd worden als onwenselijk (toelaatbaar) maar niet als ongewenst (ontoelaatbaar)..

De gedragstest

De gedragstest van de NBC is een afgeleide van de MAG-test[1].
Deze test was van 1993 tot 2008 verplicht voor de RAD-rassen[2]. De test meet vooral sociaal gedrag waarbij overmatige angst en agressie als ongewenste eigenschappen worden gescoord. Uit deze MAG-test zijn een aantal testonderdelen geselecteerd, die belangrijke informatie kunnen opleveren over het gedrag van de Briard. Prettige bijkomstigheid is dat de MAG-test een gevalideerde test is met valide testonderdelen. (Valide = het meet werkelijk wat je wil weten).

Met name de mate van angst en agressie, eigenschappen die nadrukkelijk genoemd zijn in de rasstandaard kunnen worden gemeten. De test wordt altijd afgenomen door 2 gedragskeurmeesters, die speciaal hiervoor zijn opgeleid en benoemd door de Raad van Beheer.

De uitslag

Voor wat betreft de einduitslag is het simpel: de hond is geslaagd of gezakt (Doorstaan / niet doorstaan) gebaseerd op de normering. In de bijsluiter vindt u meer informatie over hoe de resultaten op het onderzoeksrapport moeten worden geïnterpreteerd.

Leeftijd

De honden mogen vanaf de leeftijd van 15 maanden al deelnemen aan de test.

Tot slot

Sinds de invoeren van de verplichte gedragstest voor fokdieren, is het sociale gedrag van de Briard in Nederland aanzienlijk verbeterd.

“Uiterlijk went, karakter nooit.”

[1] MAG-test Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedrag-test – ontwikkeld en ingevoerd nav ernstige bijtincidenten beging jaren ’90 van de vorige eeuw

[2]RAD-rassen – nav de RAD regeling agressieve dieren zijn 5 rassen aangemerkt als zijnde RAD-rassen (Mastino Napoletano, Fila Brasilieiro, Dogo Argentino, American Staffordshire terrier en Rottweiler) De RAD-regeling ook wel bekend als de Pittbullwet is in 2008 opgeheven. Ook de Briard stond op de nominatie om aan deze lijst te worden toegevoegd.

 

Uitvoeringsprotocol Gedragstest Nederlandsche Briard Club

  1. A) Testonderdelen met geleider

Inleiding algemeen

De testleider wijst de geleider de plaats waar hij met zijn hond moet gaan staan, geeft uitleg over de procedure van de test zonder daarbij de hond te provoceren en deelt de geleider mede dat hij te allen tijde gerechtigd is de test te stoppen als naar zijn oordeel voortzetting niet in het belang van de hond is. De testleider overhandigt de geleider een flexielijn met een stevige leren halsband en verzoekt hem deze de hond om te doen. Hij wijst hem erop dat het gebruik van de noodstop van de flexielijn tijdens de tests alleen in uiterste noodzaak is toegestaan als gevaarlijke situaties voor mens of dier ontstaan. Voorts dient de geleider zicht te onthouden van elke vorm van contact die tot het onder appèl brengen van de hond zou kunnen leiden.

De voorwerpen welke bij de testonderdelen met de geleider als prikkel worden gebruikt bevinden zich op een afstand van 1.5 meter van de bij de onderdelen geplaatste pionnen. De onderlinge afstand tussen de prikkels bedraagt 12 tot 15 meter.

Inleiding testonderdeel 1

De hond en zijn geleider zijn zodanig voor een muur, afrastering of hek opgesteld dat de hond geen ruimte heeft om achter de geleider weg te kruipen. Aan de muur, de afrastering of het hek is een lijn van 1 meter bevestigd, waaraan de geleider de hond vastlegt. Ook de flexielijn wordt door de geleider als extra beveiliging in de hand genomen.

Testonderdeel 1: kennismaking

Aanvang test:             1e poging tot aai-contact

Einde test:                  weglopen testhelper bij hond en geleider

Totale testduur:          20 sec.

Een testhelper loopt op een teken van de testleider met uitgestoken kunsthand naar hond en geleider en begroet de geleider en de hond. De testhelper laat de hond aan de kunsthand snuffelen en probeert hem/haar (gedurende 20 sec.) over kop, hals of rug te aaien. Tijdens de kennismaking moet de hond tenminste éénmaal zijn aangeraakt. Hierbij moet de testhelper tegen de hond praten.

Testonderdeel 2: witte lap

Aanvang test:             1e opwaartse beweging lap

Einde test:                  weglopen geleider van lap

Totale testduur:          20 sec.

De geleider loopt met de hond naar de pion. Door een testhelper, die op een afstand van tenminste 8 meter van de pion verwijderd is, wordt op een teken van de testleider een grote witte lap gedurende 10 sec. op en neer getrokken, zodra de geleider of de hond bij de pion is gearriveerd en de hond in de richting van de prikkel kijkt. Zonder zelf van zijn plaats te gaan, geeft de geleider de hond gelegenheid op onderzoek uit te gaan. Na 10 sec. geeft de testleider een teken, waarop de geleider naar de lap, welke op de grond ligt, gaat en deze eventueel aanraakt (NB: er mag niet mee worden geschud). Dit deel van de test duurt eveneens 10 sec. waarna de testleider de geleider aangeeft naar de volgende pion te lopen.

Testonderdeel 3: kat

Aanvang test:             zichtbaar worden kat

Einde test:                  weglopen geleider van kat

Totale testduur:          20 sec.

Nadat de geleider of de hond bij de pion is aangekomen (NB: de hond moet in de richting van de prikkel kijken) wordt door een testhelper, die op een afstand van tenminste 8 meter van de pion verwijderd is, op een teken van de testleider een op een kat gelijkende figuur langs getrokken. Zonder zelf van zijn plaats te gaan, geeft de geleider de hond gelegenheid op onderzoek uit te gaan. Na 10 sec. geeft de testleider een teken, waarop de geleider naar de kat gaat en deze eventueel aanraakt. Dit deel van de test duurt eveneens 10 sec., waarna de testleider aangeeft naar de volgende pion te lopen. De testhelper dient ervoor te zorgen dat de kat aan het einde van de test uit het zicht verdwijnt, eventueel door er b.v. een doek overheen te leggen.

Testonderdeel 4: sirene

Aanvang test:             eerste signaal

Einde test:                  weglopen geleider van sirene

Totale testduur:          20 sec.

Nadat de geleider of de hond bij de pion is aangekomen wordt door een testhelper, die op een afstand van tenminste 8 meter van de pion verwijderd is, op een teken van de testleider gedurende 10 sec. een signaal gegeven. Zonder zelf van zijn plaats te gaan, geeft de geleider de hond gelegenheid op onderzoek uit te gaan. Na 10 sec. geeft de testleider een teken, waarop de geleider naar de sirene gaat en deze eventueel aanraakt. Dit deel van de test duurt eveneens 10 sec., waarna de testleider aangeeft naar de volgende pion te lopen.

Testonderdeel 5: blikken op metalen ondergrond

Aanvang test:             vallen blikken

Einde test:                  weglopen geleider van blikken

Totale testduur:          20 sec.

Nadat de geleider of de hond bij de pion is aangekomen laat een testhelper, die op een afstand van tenminste 8 meter van de pion verwijderd is, op een teken van de testleider blikken, gevuld met kiezelstenen, een aantal keren gedurende 10 sec. op een metalen plaat vallen.

Zonder zelf van zijn plaats te gaan, geeft de geleider de hond gelegenheid op onderzoek uit te gaan. Na 10 sec. geeft de testleider een teken, waarop de geleider naar de blikken gaat en deze eventueel aanraakt. Dit deel van de test duurt eveneens 10 sec., waarna de testleider de geleider aangeeft naar de volgende pion te lopen.

Inleiding testonderdelen 6 en 7

De hond en zijn geleider zijn zodanig voor een muur, afrastering of hek opgesteld dat de hond geen ruimte heeft om achter de geleider weg te kruipen. Aan de muur, afrastering of hek is een lijn van 2 meter bevestigd, waaraan de geleider de hond vastlegt. Aan het einde van de straal rond het bevestigingspunt wordt een markering aangebracht met behulp van pionnen. Ook de flexielijn is aan de halsband van de hond bevestigd en wordt door de geleider als extra beveiliging in de hand genomen De testen worden begonnen op een afstand van 6 meter, gerekend vanaf het bevestigingspunt van de hondenlijn, hier verder aan te duiden als het “startpunt”. De plaats waar de geleider en de hond staan moet een andere plaats zijn dan bij testonderdeel 1.

Testonderdeel 6: insluiting

Aanvang test:             start testhelpers

Einde test:                  helpers terug op startpunt

Totale testduur:          20 sec.

Drie testhelpers lopen op een teken van de testleider vanaf het startpunt met normale pas naar de hond en geleider tot aan de pionnen. Daar blijven de testhelpers staan. Tijdens het lopen en stilstaan zwijgen de testhelpers en kijken zij de hond niet aan. De hond wordt ook niet aangehaald. Na 10 sec. te hebben stilgestaan doen de testhelpers op een teken van de testleider een pas achteruit, draaien zich om en keren in hetzelfde tempo naar hun uitgangspositie terug.

Testonderdeel 7: versnelde insluiting

Aanvang test:             start testhelpers

Einde test:                  helpers terug op startpunt

Totale testduur:          20 sec.

Direct na het beëindigen van testonderdeel 7 lopen drie testhelpers op een teken van de testleider vanaf het startpunt opnieuw, echter nu in versnelde pas, op de geleider en de hond af tot aan de pionnen. Daar blijven de testhelpers staan. Tijdens het lopen en het stilstaan zwijgen de testhelpers en kijken zij de hond niet aan. De hond wordt ook niet aangehaald. Na 10 sec. te hebben stilgestaan doen de testhelpers op een teken van de testleider een pas achteruit, draaien zich om en keren dan met normale pas naar hun uitgangspositie terug. 

  1. B) Testonderdelen zonder geleider

Inleiding algemeen

Na testonderdeel 7 wordt de flexlijn losgekoppeld  en verdwijnt de geleider uit het zicht van de hond (b.v. achter een scherm), waarbij hijzelf de hond echter wel kan blijven zien. Elke test wordt begonnen op een afstand van 6 meter, gerekend vanaf het bevestigingspunt van de hondenlijn, hier verder aan te duiden als het “startpunt”. Bij het aanhalen van de hond wordt door de testhelper ter bescherming een kunsthand gebruikt.

Testonderdeel 8: vriendelijke benadering

Aanvang test:             1e poging tot aaicontact

Eind test:                    weglopen testhelper

Totale testduur:          20 sec.

Een testhelper loopt op een teken van de testleider met uitgestoken kunsthand naar de hond. Hij laat de hond aan de kunsthand snuffelen en probeert hem/haar (gedurende 20 sec.) over kop, hals of rug te aaien. Daarbij zorgt de testhelper ervoor zelf niet binnen de 2-meter markering te komen. Na de hond geaaid te hebben keert de testhelper op een teken van de testleider om en loopt weg. Bij dit testonderdeel moet de testhelper tegen de hond praten.

 Testonderdeel 9: fixerende benadering

Aanvang test:             start testhelper

Einde test:                  testhelper verlaat hond

Totale testduur:          20 sec.

Een andere testhelper dan die van onderdeel 1 en 8 loopt op een teken van de testleider vanaf het startpunt sluipend op de hond af, waarbij hij deze strak aankijkt. Aangekomen bij de 2-meter markering blijft hij de hond fixeren en, als deze kop en/of lichaam wegdraait, naar de ogen toe volgen. Na 20 sec. stapt hij op een teken van de testleider naar achteren en loopt weg.

Testonderdeel 10: vriendelijke benadering na stress

Aanvang test:             1e poging tot aaicontact

Eind test:                    weglopen testhelper

Totale testduur:          20 sec.

Op een teken van de testleider loopt dezelfde testhelper van onderdeel 9 met uitgestoken kunsthand naar de hond. Hij laat de hond aan de kunsthand snuffelen en probeert hem/haar (gedurende 20 sec.) over kop, hals of rug te aaien. Daarbij zorgt de testhelper ervoor zelf niet binnen de 2-meter markering te komen. Na de hond geaaid te hebben keert de testhelper op een teken van de testleider om en loopt weg. Bij dit testonderdeel mag de testhelper tegen de hond praten.

Na testonderdeel 10 komt de eigenaar terug bij de hond, koppelt de flexlijn weer aan en maakt de hond los van de vaste lijn. Hij mag de hond nog niet toespreken of aanhalen. Op aanwijzing van de testleider loopt hij naar de volgende pion.

Testonderdeel 11: Pop

Aanvang test: vertrek pop van startpunt

Einde test: weglopen geleider van de pop

Totale testduur: 20 sec.

Nadat de geleider of de hond bij de pion is aangekomen (NB: de hond moet in de richting van de prikkel kijken) wordt door een testhelper, die op een afstand van tenminste 8 meter van de pion verwijderd is, op een teken van de testleider een pop tot voor de hond getrokken. Zonder zelf van zijn plaats te gaan, geeft de geleider de hond gelegenheid op onderzoek uit te gaan. Na 10 sec. geeft de testleider een teken, waarop de geleider naar de pop gaat en deze eventueel aanraakt. De eigenaar mag de hond aanmoedigen de pop te naderen. Dit deel van de test duurt eveneens 10 sec., waarna de testleider aangeeft door te lopen. De testhelper dient ervoor te zorgen dat de pop aan het einde van de test uit het zicht verdwijnt, eventueel door er b.v. een doek overheen te leggen.

 

Bijsluiter Briard-test

Hoe moet je de resultaten op het scoreformulier van de Briard-test lezen/interpreteren?

Voor wat betreft de einduitslag is het simpel: de hond is geslaagd of gezakt (Doorstaan of niet doorstaan) gebaseerd op de normering.

De Briard-test bestaat uit 11 testonderdelen, 8 met eigenaar en 3 zonder eigenaar.
Op het scoreformulier worden per onderdeel kruisjes gezet onder de gedragskarakterisering. Per onderdeel kunnen er meerdere mogelijkheden aangekruist worden.

Hieronder een beschrijving van het gedrag waarop de gedragskarakteriseringen zijn gebaseerd.

Een hond kan vriendelijk scoren in onderdeel 1 en de onderdelen 6 t/m 11.

Vriendelijk gedrag wordt namelijk niet getoond naar voorwerpen of geluiden, enkel naar mens of dier. Niet elke kwispel duidt op vriendelijkheid.  Er wordt vriendelijk gescoord als hij: een persoon nadert met een kwispel in neutrale tot lage houding, snuffelt of likt aan de hand, evt. met speluitnodiging, evt. met opspringen met likbeweging. Of hij nadert niet zelf maar accepteert met kwispel na benadering van een persoon een aanhaling. Dit alles zonder agressiesignalen.

Zeker scoort een hond die langer dan de helft van de sub-testduur in neutrale of hogere houding reageert op prikkels. Dit betekent dat hij geen angst- of vluchtgedrag toont, geen ontwijken, niet nerveus (stresssignalen) en na een schrikreactie volgt direct volledig herstel zonder steun van de geleider.

Niet geheel zeker scoort een hond die langer dan de helft van de sub-testduur met een lichte houdingsverlaging (oren iets naar achter en/of staart wat verlaagd) geen trillen en geen vluchten, reageert op prikkels . Bij een constant lagere houding dan neutraal kan hij ook wijken of de intentie hebben te naderen. (staart laag maar niet tussen de benen)

Angst scoort een hond die langer dan de helft van de sub-testduur een lage houding of lagere  houding dan neutraal aanneemt. Hij kan gedrukt lopen en/of weglopen tot de maximale afstand t.o.v. de prikkel. Dit kan gepaard gaan met stresssignalen.  De staart wordt gedrukt gedragen. Toont deels herstel.

Grote angst scoort een hond die langer dan de helft van de sub-testduur zijn staart tussen de achterpoten richting de buik trekt. De achterpoten zijn licht gebogen – hij neemt een lage houding aan. Kan vluchten voor de prikkel , of doet een poging daartoe. Kan gepaard gaan met trillen -gapen- bevriezen – wegkijken – en overige stresssignalen. De hond neemt bewust afstand van de prikkel. Matig herstel.

Paniek scoort een hond die langer dan de helft van de sub-testduur vlucht tot de maximale afstand t.o.v. de prikkel, ook kan de hond  bevriezen ( zich niet meer durven te bewegen). Geen herstel.

Dreigen scoort een hond als hij fixeert – lip optrekken/tanden laten zien (geen lachen!) – verstarren – stijve kwispel daarbij kan hij grommen – gromblaffen – blaffen.

Uitval/snap/beet scoort een hond als hij een bijtbeweging maakt of daadwerkelijk bijtgedrag vertoont.
Toelichting:

Happen/snappen is een snelle gerichte hapbeweging, niet doeltreffend, waarbij de hond zich niet meer dan een pas verplaatst.
Uitval is een met open bek, snelle gerichte hapbeweging, niet doeltreffend, waarbij de hond zich met meer dan een pas verplaatst.
Bijten is als de boven en/of ondertanden met zoveel plotselinge druk contact maken met de huid waardoor een zichtbare verwonding ontstaat zoals een tandafdruk, striem, kras, blauwe plek, doorboorde of gescheurde huid. Ook op deze wijze contact maken met haar, kleding en voorwerpen wordt als bijten beschouwd.
Indien de hond voorafgaande een speluitdaging (meestal spelboog) laat zien wordt dit gezien als spelbijten en scoort hij hier geen kruisje!.
Spelbijten is als de hond zijn tanden in de prikkel zet zonder zichtbare verwondingen, geen agressie, geen imponeren, geen verstarren of verstrakken.

Normering Briard-test

De normering voor de Briard-test is als volgt:
1x agressie (uitval/hap/snap/beet) –  niet doorstaan
meer dan 1x paniek – niet doorstaan
meer dan 2x grote angst – niet doorstaan
1x paniek & 1x grote angst – niet doorstaan

 

De uitslag

De keurmeesters vullen aan de hand van hun veldformulier (observaties) het scoreformulier in. Vervolgens worden de gegevens op het formulier getoetst aan de voor de hond geldende normering en volgt de uitslag in de vorm van doorstaan of niet doorstaan.

Tot slot:
Niet geheel zeker – vriendelijk

Veel hondeneigenaren van honden die de test, in hun ogen, prima hebben doorstaan schrikken, wanneer ze het onderzoeksrapport onder ogen krijgen, van de hoeveelheid keren dat de gedragskarakteristiek niet geheel zeker is aangekruist.

Dit wordt echter gezien als het meest normale gewenste gedrag. Het is de optimale zone waarin de hond alle informatie in zich opneemt en in verband brengt met de informatie die hij  al heeft. Met andere woorden de hond reageert op “gezonde” wijze op de prikkels.

Zit een hond hier boven dan zal hij overreageren en is hij voortdurend heel alert, schrikt bij het minste op, gaat soms (snel) agressief of angstig reageren (angst-grote angst- paniek – uitval/snap/beet). Zit een hond hieronder dan is er vaak sprake van niet voldoende ruimte om verwerking van de prikkels toe te staan. Er is dan ook vaak sprake van laag temperament.

Binnen de test beoordeling wordt daarom, waar dat dit mogelijk is, de gedragskarakterisering niet geheel zeker in de combinatie met vriendelijk als normaal en dus het meest gewenste gedrag gezien.